Manitoba: het begin

Geplaatst op door

De kop van elk hoofdstukAan het woord: Lex Koekkoek, verkenner vanaf het begin!

Het was de zomer van 1945; in mijn herinnering altijd mooi weer en dat gecombineerd met de bevrijdingsroes. Kortom een feest dat maandenlang duurde en werd opgesierd door optochten en manifestaties in de open lucht waarbij voor de handhaving van de goede orde ook een rol was weggelegd voor padvinders. De combinatie van het mooie uniform van deze jongens en het gevoel iets nuttigs te kunnen doen deed een groot aantal jongetjes van 12, 13 jaar er toe besluiten zich ook aan te sluiten bij de padvinderij.

De bestaande groepen konden deze aanwas natuurlijk niet verwerken. In de maand september kreeg een aantal van de nieuwe aanmelders – waaronder ikzelf –  bericht om zich op een zaterdagmiddag te melden in de manege bij Oud Leusden, om deel uit te gaan maken van een nieuw op te richten padvindersgroep. In deze manege, een enorm gebouw met een dikke laag mul zand op de bodem en zonder enig meubilair, werden de nieuwelingen ingewijd in de regels van “het spel van verkennen”. Ons onderkomen had gelukkig wel vier hoeken, die ruimte vormde voor vier patrouilles: vossen, wolven, fazanten en kemphanen.

Naast hopman Van Noort, die zich in mijn herinnering slechts korte tijd heeft bemoeid met de voornamelijk administratieve zaken verbandhoudend met de oprichting, was de wekelijkse leiding in handen van vaandrig Cees Plooy, bijgestaan door een superpatrouilleleider Wim Hendriks.

Van echte uniformen was natuurlijk nog geen sprake; een korte broek, samen met een door je moeder op maat gemaakt Canadees militair overhemd vormden de basisuitrusting, met enig geluk aangevuld met een baret. Het uniform werd gecompleteerd met een padvindersdas. Ik herinner me nog levendig de discussies en de stemming over de keuze van de kleuren. Het moest een tweekleurige das worden, waarbij de ene kleur de letter “r” moest bevatten en de ander de letter “l”, zodat je gemakkelijk kon onthouden welke kant rechts dan wel links gedragen moest worden. Uiteindelijk werd gekozen voor grijs en blauw.

In diezelfde eerste weken werd ook de naam voor de nieuwe verkennerstroep gekozen. Omdat de meeste leden afkomstig waren uit het Leusderkwartier werd de naam Leukwa geopperd, dit in navolging van de bestaande Soekwa-groep die uit het Soesterkwartier stamde. Maar meer enthousiasme was er voor de naam Manitoba; een aantal Canadese militairen liep rond in Amersfoort met op de arm het embleem van de Manitoba dragoons. Zonder direct de link te leggen met een Canadese provincie, zagen de meeste jongens hier wel een verband met de “grote Manitou” die we kenden uit de Karl May-boeken. Het werd dus Manitoba, hetgeen aardig paste bij andere groepsnamen als Impeesa, Cay Noya en Hiawatha.

In december 1945 werden de eerste leden als verkenner geïnstalleerd, waarmee we voor ons gevoel deel gingen uitmaken van de grote wereldbroederschap. Een welpenhorde kwam pas in het voorjaar van 1946. Het contact tussen horde en verkennerstroep was echter minimaal, ook al door het ontbreken van een gezamenlijk onderkomen.

MANITOBA, DE VOLGENDE TWEE JAREN

Al voor het einde van 1945 kregen we ook een echte hopman. Vaandrig Plooy had zijn oudere broer Ton Plooy zodanig bewerkt dat hij er mee instemde de leiding van de troep op zich te nemen. Hoewel minder goed ingevoerd in de padvindersorganisatie dan zijn broer Cees, heeft hopman Plooy deze functie heel goed vervuld. In de zomer van 1946 begon het spel pas goed. Er kwamen patrouillewedstrijden waarbij de in de winter in theorie geleerde vaardigheden in de praktijk werden getoetst: tent opzetten, koken op een houtvuurtje en heel bescheiden pionieren.

Het grootste avontuur in 1946 was natuurlijk ons eerste zomerkamp. Dit vond plaats in de omgeving van Doorn. Door gebrek aan financiële middelen werd de tocht erheen te voet afgelegd. Een geleende enorme handkar met twee man ervoor en twee man erachter zorgde voor het transport van plunjezakken en tenten. Na een uur of vier sjokken kon het kampterrein worden ingericht: tenten opzetten, kooksleuven graven en het bouwen van een hudo. In de nabijheid was een kraan waar we water konden halen.

De fouragering gaf nog wel wat problemen. Nog afgezien van de aanzienlijke afstand naar de dichtst bijzijnde levensmiddelenwinkel was bijvoorbeeld vlees nog altijd op de bon. Voor bijzondere evenementen als een padvinderskamp kon echter bij de distributiedienst een extra rantsoen worden aangevraagd. Met een ingevuld formulier en de om een of andere reden ongeldig gestempelde legitimatiekaart van de vaandrig werd ik naar het distributiekantoor in Doorn gestuurd om de bonnen op te halen. Mijn zielige gezicht en de goede inborst van de loketbeambte zorgden ervoor dat ik toch aansluitend naar de slager kon voor de aanschaf van drie kilo runderlappen, zodat we op de zondag van ons kamp een maaltijd met vlees konden bereiden. De overige maaltijden waren tamelijk eentonig. ‘s Morgens havermoutpap en thee, ‘s middags brood en als avondmaal aardappelen met groente. Toch klaagde niemand want we deden het allemaal zelf. Een hele week mooi weer zorgde er voor dat we continu buiten konden zijn waarbij menigeen zijn insigne verkenner tweede klasse kon behalen. De terugtocht naar Amersfoort was een groot feest want een relatie van één van de ouders had een grote open vrachtauto ter beschikking gesteld, waarop alle jongens en de bagage een plaatsje konden vinden.

Ons onderkomen in de manege is maar van korte duur geweest. Om ons onbekende redenen werden we er omstreeks het voorjaar van 1946 uitgezet. De daarop volgende zomer waren we voor de zaterdagmiddag- bijeenkomsten aangewezen op de open lucht. Een rijtje beukenbomen in het bos tussen de Paradijsweg en Rusthof bood een prima gelegenheid voor de wekelijkse ceremonie bestaande uit het hijsen van de vlag en het zeggen van de wet. Ja, die padvinderswet, die uit het hoofd moest worden opgezegd tot en met het voor jongens van 12 jaar heerlijk raadselachtige “een padvinder is rein in gedachten, woord en daad”.

In het najaar van 1946 konden we beschikken over een schuurtje aan wat toen de Dorresteinsesteeg heette; een half verhard pad dat naar het voetbalveld van Quick leidde. Het was maar een klein hokje, maar met behulp van boomschors op de wanden werd het een heel rustiek geheel. De Sinterklaasviering en een boerenkoolfuif met oudjaar vonden daar plaats.

In de zomer van 1947 vond de eerste naoorlogse wereldjamboree plaats in Frankrijk. Elke verkennersgroep mocht hiervoor een afgevaardigde kiezen. Wij kozen Gé Zetteler, de patrouilleleider van de wolven. De deelnemers werden door het NPV uitgerust en getraind om goed voor de dag te komen. Wat waren we jaloers toen we onze Gé zagen in een oogverblindend nieuw uniform met alles er op en er aan. Ook verbaasde hij ons met een demonstratie ropespinning; een vaardigheid die hij op de centrale training had geleerd.

Het zomerkamp van 1947 werd gehouden in de bossen van het park De Hoge Veluwe bij Hoenderloo. De sanitaire voorzieningen waren beperkt: een pomp met een zwengel om in onze behoefte aan water te voorzien. Wel zaten we wat ruimer in de tenten dan het jaar ervoor, zodat iedereen naar keuze in een kleine of grote tent kon worden ondergebracht. In de buurt van ons kamp was een meertje, waar we naar hartelust konden poedelen. Iedereen had zich een stok gesneden met een V-vormig uiteinde, want volgens de overlevering stikte het er van de adders, die we natuurlijk nooit zijn tegengekomen.

Om de competitie te stimuleren waren er periodiek patrouillewedstrijden, waarbij gestreden werd op diverse padvindersvaardigheden en natuurlijk de beoordeling van het patrouillelogboek. Jarenlang heb ik mijn vingers blauw geschreven om steeds weer uit een paar schaarse aantekeningen en mijn niet altijd betrouwbare herinnering een net uitziend resultaat te krijgen. Als deze werkstukken niet verloren zouden zijn gegaan, dan was mijn verhaal van nu overbodig geweest!

Jaarlijks werden er ook districtspatrouillewedstrijden georganiseerd. Een evenement vergelijkbaar met de huidige RSW. Meestal werd hiervoor een patrouille gevormd door de PL’s en APL’s van de troep. Veel succes hebben we daarbij nooit gehad want de eerste plaatsen waren altijd voor de meer ervaren en beter uitgeruste vooroorlogse groepen.

Tegen het einde van 1947 pakten zich donkere wolken samen voor de Manitoba-groep. Binnen korte tijd zaten we zonder leiding. Ton Plooy trad in het huwelijk en Cees Plooy had meer tijd nodig voor zijn studie. Opheffing van de troep was onvermijdelijk. Een groot aantal van ons vond onderkomen bij de Soekwa-groep, destijds bivakkerend aan de Groenmarkt, onder leiding van hopman Van Es en verwisselden daarbij van grijs/blauw naar groen/geel.

ALDUS LEX KOEKKOEK…..EN VERDER

Hoofdstuk 1 document 1Een fraai beeld dus van die eerste tijd bij de verkenners. Maar de welpen dan? Die kwamen er pas in mei 1946. De leiding van de welpen hield trouw een logboek bij. Van de eerste bijeenkomst (er staat “oefening” in het logboek) een pagina uit dat logboek.

Logboeken uit die jaren gaven vrijwel alleen maar weer wat je op een zaterdagse bijeenkomst deed. Verder werd er niet zoveel opgeschreven. Bekend is dat de verkenners een tijdje van het toneel verdwenen. Geen leiding! Waar kennen we dat van? Manitoba heeft – voordat de groep in 1955 aan de Dodeweg kwam te zitten – wat afgezworven. De groep heeft onder meer een onderkomen gehad aan de Snoeckgensheuvel, de Groenmarkt en in 1949 de Nassaulaan alwaar men de beschikking kreeg over een gebouwtje van hout. Maar in 1955 breidt de stad zich uit en de barak moet daar weg. Gelukkig werkt de gemeente Amersfoort mee en komen we naast het clubhuis van Kimball O’Hara aan de Dodeweg terecht. Het terrein was voor de Tweede Wereldoorlog het domein van een Rotterdams kinderkamp. Nog heel lang hebben de kleuren van de Rotterdamse vlag de stenen palen bij de ingang gemarkeerd. Frappant is het dat de verkenners al in het eerste jaar aan de Dodeweg in het bos zaten en er jaren later in terug kwamen.

Terug naar de inleiding                                                                         door naar hoofdstuk 2