Naar de Dodeweg

Geplaatst op door

De kop van elk hoofdstuk

Met verkennerskamp 1958-2de komst van hopman Valentin (rechts op de foto) in 1951 uit Amsterdam wordt iemand binnen gehaald die de troep echt op poten zette. Hij vond in Amersfoort geen verkenners maar alleen wat oudere welpen. De troep bestond niet meer door de talloze leiderswisselingen. Met zes oudere welpen begon hij een nieuwe troep. Eén van hen was Gerrit Ruitenberg. Hopman Valentin overleed op 30 november 2014 in Etten-Leur op 87-jarige leeftijd.

In 1955 vond in Soestduinen de eerste internationale Jamborette plaats. Wat dat was lees je in een special over dit vijfjaarlijkse kamp met aardig wat inbreng van Manitoba!

We hebben al heel lang de Bisongeloei, maar er was ook een voorganger. Dat blad heette De Bazuin en verscheen voor het eerst op 26 november 1955. Er was een heuse directeur: Nico van Putten. Redacteuren waren Willem Max van de Bergh, Henk Werkman, Hans van Doornik. Er is geen exemplaar bewaard gebleven. Het blad kwam overigens uit vlak voordat ik mijn eerste stappen zette aan de Dodeweg, op 10 december 1955.

Hoofdstuk 2 document 1In 1956 gingen de welpen op zomerkamp naar Ede. We marcheerden naar het dorp. Rechts Rinus van Putte, die later zijn Manitoba-sporen ruimschoots verdiende als verhuurder van onze 2 gebouwen. De ontgroening in dat kamp kan ik mij nog goed herinneren. Tegenwoordig doen we dat heel verantwoord, maar toen werd je geblinddoekt in een tent en werd je opgehaald door heuse spoken in witte gewaden.

In 1956 sleepten we de raadsrots, die er nu nog steeds is, vanaf de weg naar de plek waar die toen moest liggen. De steen kwam van een plek aan de Leusderweg. Uit de laatste ijstijd. Op 30 maart 1957 vierden we de opening van het troephuis. Er kwam geen fles champagne aan te pas, maar een fles bier, afkomstig van de Phoenix-bierbrouwerij. De directeur van deze brouwerij, de heer H. Korthals Altes, was immers voorzitter van de stichting.

In december 1957 waren er patrouillewedstrijden en dat was een wedstrijd op punten. Maar als je te laat kwam zonder geldige reden dan kreeg je 5 punten aftrek. Als je helemaal niet kwam zelfs min 10. En als de patrouillehoek niet was opgeruimd zelfs min 5. Haalde je een insigne in die periode dan kon je 20 punten extra krijgen. Jij je te pleuris werken voor 20 punten en je patrouillegenoot twee keer te laat komen!!  Dan had je exact 0 punten. Niet echt in balans!!!!Hoofdstuk 2 document 2

Tot 1960 was ons troephuis heel erg klein. Twee ruimtes, een leiderslokaal annex keuken en een toilet en twee ruimtes voor wat spullen. In 1960 kwamen er nesthoeken en patrouillehoeken bij. Dat was een hele verbetering.

We verhuurden in die jaren het gebouw ook al. Een clubhuis kost immers geld en dat kwam natuurlijk vooral uit de contributies, maar ook uit de verhuur. En we prezen ons zelf aan: een solide gebouw met elektra, water en butagas en 3 lokalen. Bovendien hadden we een afzonderlijke ruimte waar ook gelegenheid was voor het ophangen van jassen, en een toilet met normale water­spoeling. In 1958 bedroeg ons verhuurtarief 60 centen per dag. Een lid betaalde in die tijd ƒ 3,75 per kwartaal. Verder kon men een ongevallenverzekering afsluiten tegen ƒ 0,25 per jaar.

In april 1960 nam Akela Freeman afscheid. De redenen waarom ze vertrok waren volstrekt onduidelijk. Ze kwam bij de horde van Manitoba in 1950. Ze was kleuterjuf in het Soesterkwartier en ik was kleuter in de jaren 50! Ze overtuigde mijn vader dat padvinderij goed zou zijn voor Rob. In november 1955 was het zover. Ik mocht naar de Dodeweg en ontmoette daar een echte Akela. Jaren lang heb ik haar beschouwd als de Akela zoals die in het Djungleboek staat beschreven. Ze begon in 1950 als Bagheera en na vier jaar werd ze Akela. In die jaren was het behalen van je eerste en je tweede ster een ernstige zaak. Je werd geacht om op woensdagmiddag ook af en toe iets aan sterwerk te doen. Op het trottoir bij haar huis Leusderweg 141 stond je dan een tennisbal over te gooien, zowel links als rechts; je moest leren seinen met vlaggen en je moest een fiets leren schoonmaken. Dat die van haar er altijd schoon uitzag laat zich raden.

Akela Freeman was streng in mijn ogen, maar ze had wel hart voor de groep. Ze was er altijd, iedere zaterdag. Ik heb vier zomerkampen mogen meemaken, en ik herinner me de ontgroening die ze in Ede in 1956 liet organiseren. De griezelige spookscene zit nog steeds in mijn herinnering, want dat moest volgens haar ook kunnen. Geblinddoekt en spoken. Ze kon ook goed zingen en voor het slapen gaan werd er een heuse taptoe bij de toenmalige slaapzakken gevuld met stro gehouden. In 1960 ging ik naar de verkenners en even later was ze ook weg. Om mij nog steeds onduidelijke redenen. …………Ze was een Akela zoals je toen in de boeken las!!!

In ieder geval kwam Kees Kamerbeek op 10 september 1960 bij ons en dat luidde een langdurige periode van stabiliteit bij de welpen in. Maar daarover meer in het volgende hoofdstuk.

Terug naar hoofdstuk 1                                                                        door naar hoofdstuk 3